NIEUW: weekaanbieding e-books
Ontdek de WEEKaanbieding

Page content

article content

Wat is faalangst?

Wat is faalangst?

`Je hebt het in je vingers, het zit helemaal in je hoofd, maar het komt er niet uit. Je presteert onder je kunnen. Je hebt faalangst!`

Wat is de definitie van faalangst?

Wat is faalangst? Faalangst is de angst om te mislukken in situaties waarin je wordt beoordeeld of denkt te worden beoordeeld. En die angst werkt belemmerend.

Onzekere kinderen ontwikkelen een bepaald soort denken; zij denken vanuit een negatief zelfbeeld.

`Ik ben dom`
`Ik zie er stom uit`
`Niemand vindt mij leuk!
`

De vrees om te mislukken staat centraal. Dit bepaalt hun denken.
We spreken pas over faalangst als een kind zo gegrepen is door de angst voor mislukking dat het kind geblokkeerd raakt.

Het eerste dat opvalt bij faalangst.

`Er komt niet uit wat er in zit!`

Faalangst is te verdelen in drie groepen.

Faalangst kunnen we onderverdelen in:

  1. cognitieve faalangst
  2. sociale faalangst
  3. motorische faalangst

Cognitieve faalangst

Cognitie heeft met leervermogen te maken. Deze kinderen vinden het lastig om te laten zien wat zij aan kennis hebben geleerd. Dit uit zich met name bij het maken van toetsen. `Als ik maar weer geen onvoldoende haal`.faalangst

Sociale faalangst

Kinderen met sociale faalangst vinden het moeilijk om iets te zeggen binnen een groep. Maar het is ook lastig voor ze om een vreemde aan te spreken. Je ziet de sociale faalangst vaak voorkomen bij het doen van een spreekbeurt, boodschappen doen, een telefoongesprek voeren of een vraag stellen in de klas.
`Dan word ik helemaal rood!`

Motorische faalangst

Dit heeft te maken met de motoriek van het lichaam. Je staat stijf van angst. Dit uit zich vaak in de gymles, bijvoorbeeld over de bok springen. `Ik kan dit niet, ik neem de bok en al mee!` Of met het autorijexamen; je weet soms niet meer wat links is en wat rechts is!

Wat gebeurt er bij faalangst?

faalangstAngst is een reactie op gevaar. Angst levert energie en kracht.
Wat gebeurt er in je lichaam bij (faal)angst. Vroeger als de oermens een wild dier tegenkwam, kon hij vluchten of vechten. Als hij het dier zag, gaven de hersenen een seintje aan de bijnieren om adrenaline aan te maken. Dit hormoon is nodig om te lange spieren te activeren; de benen om te vluchten en de armen om te vechten. Het bloed wordt naar de benen en voeten en armen en handen gestuurd. De hartslag wordt sneller omdat het bloed sneller gaat stromen. Het zuurstof gebruik gaat omhoog en daardoor gaat de ademhaling sneller.
Het bloed en de zuurstof zijn vooral nodig voor benen en armen. Er gaat minder energie naar maag, darmen en kleinere spieren die het even niet nodig hebben.

Je wilt vluchten of vechten!

Maar er wordt ook bloed weggehaald bij de hersenen. Je hoeft niet te denken. Onze natuurlijke reactie is dat wij alleen nog willen vluchten of vechten; we willen bewegen!
Toch moeten we bij het maken van een toets netjes op de stoel blijven zitten. De spieren in onze benen en armen gaan trillen door de opgekropte maar niet gebruikte energie.

Wat zijn de gevolgen van faalangst?

Je kunt niet meer denken.

Je voelt nog meer angst!

Je kunt nog minder denken!

Je wilt nog meer bewegen, maar je moet op je stoel blijven zitten tijdens de toets.

Er komt steeds minder bloed naar je hersenen!

Je raakt in paniek.

Er ontstaat BLACK-OUT!

Hoe herken ik faalangst?

Onzekere kinderen hebben overheersende negatieve verwachtingen van zichzelf. Daardoor hebben zij behoefte aan positieve verwachtingen van anderen. Na een volbrachte taak willen zij regelmatig een reactie krijgen. Dit ontwikkelt hun zelfvertrouwen. Bij nieuwe opdrachten worden kinderen vaak onzeker en zij weten niet goed hoe zij de opdracht moeten aanpakken. Zij `kijken de opdracht eerst af` bij de anderen.
Wij zien veel faalangst ontstaan bij onze Beelddenkers.
Dit heeft te maken met de manier waarop zij informatie verwerken.

Welk gedrag zien we bij faalangst?

We zien gedragingen als:

  • De clown uithangen om de faalangst te verbergen
  • Geen vragen durven stellen
  • Overdreven de slappe lach krijgen
  • Snel `rood worden`
  • `Ik wil niet gezien worden` gedrag
  • Niet kunnen opkomen voor zichzelf
  • Concentratie problemen.

Wat zou het toch fijn zijn als de kinderen op school meer te horen krijgen wat ze goed doen in plaats van wat zij fout doen!

Welke kenmerken van faalangst zien we op school?

  • Het kind voelt de sfeer in de klas goed aan en raakt uit balans als deze niet goed is.
  • Het kind vraagt veel bevestiging aan de leerkracht.
  • Uiterlijke reacties kunnen zijn: stotteren, zweten, wiebelen met de benen, hoge ademhaling, opgetrokken schouders…
  • Het kind heeft innerlijk last van: hartkloppingen, droge mond, veel naar de w.c., buikpijn, misselijk…
  • Als de leerkracht een vraag stelt aan de groep, vermijdt het kind oogcontact.
  • Het kind kan clownesk gedrag vertonen om zijn faalangst te verbloemen.
  • Het kind durft geen vraag te stellen in de klas.
  • Omdat het kind wordt afgeleid door zijn angst, vertoont hij concentratieproblemen.
  • Het kind kan niet tegen kritiek.
  • Het kind kan slecht zijn grenzen aangeven.
  • Het kind begint vaak later met een toets dan de anderen.
  • Het kind beweegt veel!

Wil je binnen school kinderen trainen om te leren omgaan met de faalangst?

Misschien is de opleiding STERKerSTAAN faalangsttrainer / ADHD coach iets voor je. Je gaat naar huis met twee uitgeschreven trainingen, zodat je morgen met de training kan starten.
Meer informatie.

faalangst

Eerste hulp bij faalangst

De ademhalingsoefening `ontspanning-spanning`

Het kind mag `ontspanning` inademen door de neus en `spanning` uitademen door de mond. Inademen in 2 tellen en uitademen in 6 tellen. Op de inademing trekt het kind de schouders omhoog en op de uitademing laat het kind de schouders ontspannen hangen en het kind laat de kaken los op de uitademing.

Op de juiste manier feedback geven, zorgt voor minder faalangst.

De manier van feedback geven is heel belangrijk bij het reduceren van faalangst. Je kunt op een positieve manier feedback geven: “Wat een mooie tekening heb je gemaakt!`. Maar je kunt ook op een negatieve manier feedback geven: `De kleuren kloppen niet in je tekening!`

Persoonsgerichte feedback

De feedback kan op de persoon, maar ook op de taak gericht zijn. Als je (negatieve) feedback wilt geven waar het kind iets van leert, houd het dan altijd gericht op de taak of op het gedrag. Het kind laat bijvoorbeeld vervelend gedrag zien. Zeg dan niet: `Ik vind je vervelend!`
Dit is feedback op de persoon gericht. Deze feedback kan een kind faalangstig maken. Nee, zeg bijvoorbeeld: `Ik vind je gedrag vervelend!`
En leg dan uit wat je vervelend vindt en hoe je het gedrag graag ziet.
Maar wil je feedback geven op een taak dan mag de feedback zowel negatief als positief zijn. Op een goede manier feedback geven, dus negatieve taakgerichte feedback, bevordert zelfvertrouwen. Het helpt het kind juist vooruit om sterker te worden.

Taakgerichte feedback
Positief taakgericht: `De rekentoets heb je goed gedaan.`
Negatief taakgericht: `De rekentoets ging niet zo goed, wat heb je nodig om de toets volgende keer beter te maken?` Deze negatieve feedback geeft je toch een positieve energie. En het geeft duidelijkheid waardoor het niet goed ging.

Ben ik zo dom?!

`Ben ik zo dom?!` vraagt Jeroen zich af.
Jeroen vindt lezen niet leuk en moeilijk. Wat gebeurt er als Jeroen leest? Jeroen voelt zich onzeker worden. Hij voelt zich angstig, verdrietig maar ook boos. Jeroen voelt woede omdat hij niet zo goed leest als de andere kinderen uit de klas. Hij kan wel huilen. `Ben ik zo dom?! Waarom lees ik niet goed? Ik doe zo mijn best!`faalangst
Jeroen voelt zich bedreigd, hij ontwikkelt faalangst voor lezen. Maar… Jeroen kan goed rekenen. Als Jeroen aan zijn rekentaken werkt, voelt hij zich prettig. Hij houdt van rekenen. `Ik kan goed rekenen!` Tijdens de faalangstbegeleiding van Jeroen laten we hem bewust worden van zijn talenten. We gaan samen met Jeroen en zijn ouders zijn talenten aan de stralen van een zon schrijven.
Jeroen krijgt inzicht in zijn kwaliteiten en talenten en ervaart dat hij niet dom is.
Doordat hij zich minder op het lezen richt, gaat de spanning bij het lezen weg en dàt alleen al maakt dat Jeroen makkelijker leest. Jeroen begint lezen zelfs leuk te vinden. Daarnaast gaan we met ontspanningsoefeningen en helpende, positieve gedachten aan het werk.
Jeroen leert dat ieder mens uniek is met zijn sterke en zwakke kanten.

Als een kind in balans is staat het STERK!
Als het kind STERK staat is hij in balans!

Over de auteur…

`Na mijn jarenlange ervaring met het begeleiden van kinderen met leerproblemen, ben ik er van overtuigd dat een kind eerst STERK in de wereld moet staan. Pas dan kunnen we leerproblemen aanpakken. Ik wil graag dat elk kind een leuke schoolperiode heeft. En dat er uit komt watwat is faalangst er in zit!`
Anneke Bezem

Zit je lekker in je vel, dan leer je wel!

Anneke Bezem begeleidt al 20 jaar kinderen en volwassenen met faalangst.

`Wil je ook meer zelfvertrouwen voor je kind of leerling?`

Wat kunnen we doen?

Het E-book STERKerSTAAN® de spil bij faalangst geeft inzicht in faalangst en biedt veel praktische oefeningen voor ouders of leerkrachten om faalangstige kinderen te begeleiden.

De faalangsttest

Doe de test

© test Bureau Bezem
Beantwoord onderstaande vragen met ja – soms – nee.
ja = 3 punten
soms = 2 punten
nee = 1 punt

Vragen

  1. Als een leraar zegt dat we iets moeten maken waar we een cijfer voor krijgen, ben ik bang dat ik een slecht cijfer haal.
  2. Ik maak me regelmatig zorgen of wat voor cijfer ik haal.
  3. Als de leraar mijn werk nakijkt, voel ik me een beetje benauwd.
  4. Als de leraar zegt dat hij me onverwacht wil overhoren, dan word ik daar nerveus van.
  5. Ik maak me wel eens zorgen of ik over zal gaan.
  6. Als ik een toets heb gemaakt, denk ik altijd dat ik het slecht gedaan heb.
  7. Als ik tijdens de les denk dat ik het antwoord weet, steek ik toch niet mijn vinger op.
  8. Voor dat ik de toets maak denk ik vaak: het zal wel weer een onvoldoende worden.
  9. Ik voel me op mijn gemak bij mijn klasgenoten.
  10. Ik durf bij kinderen te gaan staan die ik niet ken.
  11. Ik vind een boodschap doen leuk.
  12. Ik vind een spreekbeurt doen leuk.
  13. Ik vind het niet erg als iedereen me aankijkt in de klas.
  14. Ik vind het niet erg om een kamer vol visite in te lopen.
  15. Ik maak makkelijk vriendjes met kinderen uit mijn klas of sportclub.
  16. Ik steek mijn hand op als ik een vraag heb.

Tel de punten van de antwoorden van vraag 1 tot en met 8 bij elkaar op
en tel de punten van de vragen 9 tot en met 16 bij elkaar op.

Mate van zelfvertrouwen vraag 1 t/m 8

Minder dan 15 punten: voldoende zelfvertrouwen
Meer dan 15 punten: onvoldoende zelfvertrouwen

Mate van sociaal zelfvertrouwen vraag 9 t/m 16

Meer dan 15 punten: voldoende sociaal zelfvertrouwen
Minder dan 15 punten: onvoldoende sociaal zelfvertrouwen