Beelddenken; problemen met rekenen door tijdsbesef.

Problemen met rekenen door zwaktijdsbesef.

Beelddenkers kunnen problemen met rekenen ervaren door een zwak tijdsbesef.

Waar gaat het fout bij een beelddenker met rekenen en tijdsbesef?

Om te kunnen rekenen, moet de beelddenker inzicht hebben in tijdsbesef, volgorde en orde (procedures). Dit zijn nou juist de zaken waar een beelddenker moeite mee heeft. Beelddenkers hebben moeite met het verwerken van seriële informatie (tijd en volgorde). Zij willen informatie simultaan (gelijktijdig) verwerken. In ons onderwijssysteem ligt de nadruk juist voor het grootste gedeelte op seriële informatieverwerking (lezen, spelling, algoritmen en procedures bij rekenen).

Beelddenkers vallen in groep twee al op.

Beelddenkende kinderen vallen in dit proces in groep 2 al op. Bij kinderen die problemen hebben met tijdsbesef, volgorde en procedures wordt het rekenen beperkt tot uit het hoofd leren. Uit het hoofd leren is lastig voor een beelddenker. Zij werken op inzicht en doorzicht en vanuit het geheel; pas dan kunnen zij leren en rekenen. De beelddenker `ziet` het geheel en van daaruit verwerft en verwerkt de beelddenker zijn informatie.

Beelddenken leert vanuit het geheel met rekenen.

Het is daarom aan te raden het rekenen vanuit het geheel aan te leren en bij de uitleg zo te sturen dat het kind zelf de regels `ontdekt`. Wat beelddenkers van nature doen om te leren, vanuit gehelen werken, volgen wij zo veel mogelijk bij de rekenoefeningen. Zo proberen we het beelddenken in stand te houden en tevens de leerlingen goed om te laten gaan met de methodes die op school worden gebruikt.

Benut zoveel mogelijk leeringangen bij het leren van rekenen.

Het is belangrijk om nieuwe lesstof multifunctioneel in te trainen (methode Fernald). Dit betekent dat er zo veel mogelijk leeringangen worden benut; visueel (ogen), auditief (oren), tactiel (voelen), ritmisch en motorisch (beweging). Gebruik minstens drie leeringangen.

Beelddenken is een oorspronkelijk denkproces.

Bij Beelddenken wordt zintuiglijke informatie gelijktijdig verwerkt. We spreken dan ook bij Beelddenken van een oorspronkelijk denkproces. De methode Fernald sluit mooi aan bij de talenten van een beelddenker; leren met alle zintuigen!

Oriëntatie in tijd is belangrijk bij rekenen.

Naast een aantal didactische aspecten zijn er ook een aantal psychologische aspecten, die vooral bij het rekenen een rol spelen. We moeten dan denken aan oriëntatie in de tijd. We weten inmiddels dat een beelddenker problemen heeft met tijdsbesef. De beelddenker bij wie het rekenen niet goed gaat, mist het inzicht in de temporele ruimte (verleden en heden) en de sequentiële ruimte (de volgorde van gebeurtenissen).

Waar kan tijdsbesef problemen geven?

Bij een zwak tijdsbesef zien we problemen bij:

  • op tijd komen;
  • klokkijken;
  • de volgorde en het benoemen van de dagen van de week, de maanden, seizoenen van een jaar;
  • de dagindeling (morgen, middag, avond, nacht);
  • begrippen als bijv. gisteren, morgen, vandaag;
  • het onthouden van procedures;
  • het automatiseren van plus-, min- en tafelsommen.

Het is dus belangrijk om oefeningen te doen die de oriëntatie in de tijd bevorderen.

Samengevat: Geen tijdsbesef, geen rekenbesef.

Hoe kunnen we tijdsbesef oefenen?

We kunnen het beste tijdsbesef oefenen vanuit het dagelijks leven. Ga daarbij uit van het aanwezige tijdsbesef. Laten we eens starten met het laten ervaren hoe lang één minuut duurt. Gebruik daarbij een stopwatch. Start de stopwatch en het kind geeft aan wanneer de minuut voorbij is. Het is handig om uit te leggen dat een minuut uit 60 seconden bestaat. En leg daarnaast dan ook uit dat een seconde ongeveer 1 tel is.

Hoe kun je de oefening aanpakken?

Maak er een spel van. Bijvoorbeeld klassikaal: alle leerlingen houden één minuut hun mond dicht en als zij denken dat de minuut om is, steken zij alleen hun vinger op. Of: leerlingen lopen zonder te praten rond in het lokaal. Als zij denken dat er één minuut voorbij is, gaan zij zachtjes op de grond zitten.

Tip: Met een kookwekker wordt het spelelement nog spannender! Uitbouwen naar twee minuten enz.

Als het tijdsbesef een beetje begint te groeien, kunnen de volgende vragen worden gesteld:

  • Hoeveel minuten duurt het eten van het avondeten?
  • Hoeveel minuten douch je?
  • Hoeveel minuten doe je erover om naar school te komen?
  • Hoeveel minuten duurt de gymles?
  • Hoeveel minuten duurt het buitenspelen?

Maak er een soort spel van!

Vervolgoefening op tijdsbesef.

Je hebt nodig een stopwatch en een zandloper. Laat met een stopwatch zien hoeveel minuten de zandloper ‘loopt’.

Stel de volgende vragen:

  • Wat kun je doen als de zandloper één keer leegloopt?
  • Wat kun je doen als de zandloper twee keer achter elkaar
    leegloopt?
  • Koppel de vragen terug naar de belevingswereld van de leerling.

Veel plezier met het ontwikkelen van tijdsbesef!

Anneke Bezem en Marjon Lugthart